Vreeswijk

 

De oudste historie

Vreeswijk_wapenDe rivier de lek en de daarop aansluitende waterwegen en sluizen zijn vanaf de vroegste tijden bepalend geweest voor de geschiedenis van Vreeswijk. Zonder de rivier zou het dorp niet zijn ontstaan. Men moet zich het Vreeswijkse gebied met wijde omgeving in prehistorische tijden voorstellen als een bijna ontoegankelijk veenmoeras, dat regelmatig onder water liep. Bewoning was vrijwel uitgesloten behalve wellicht in de vroege middeleeuwen op de zogenaamde stroomruggen, oude verlande rivierbeddingen die door hun zandige grondslag in de loop der eeuwen wat hoger kwamen te liggen dan het aangrenzende veenachtige land, dat door inklinking langzaam verzakte. Een dergelijke stroomrug heeft men kunnen traceren op de plaats van de oude Wiersdijk en – in het verlengde daarvan aan de oostzijde van het Merwedekanaal – de Kerkweg, ongeveer ter plaatse van de huidige Nieuwe Kerkweg.

De langgerekte, geringe verhoging in het terrein is nu niet meer terug te vinden, maar langs de bedoelde oude dijk en landweg, die vóór het graven van de Vaartse Rijn één geheel vormden, ontstond waarschijnlijk in de tweede helft van de 7 e eeuw een kleine kolonie van Friese handelslieden, een Friezenwijk; vandaar de naam Vreeswijk. De oudste nederzetting moet zich bevonden hebben langs of nabij de Wiersdijk – Kerkweg, mogelijk in de omgeving van de voormalige middeleeuwse hofstede “De Oude Wiers”, niet ver van de Prinses Beatrixsluis. Het kerspel Vreeswijk met een eigen kerk wordt reeds vermeld in een oorkonde van Otto van der Lippe in 1217. Waar het kerkje precies heeft gestaan, is niet bekend.

De Vaartse Rijn
Door de afdamming van de Kromme Rijn te Wijk bij Duurstede in 1122 en de Hollandse IJssel bij Het Klaphek, even beneden Vreeswijk, in 1285 raakte de stad Utrecht tot tweemaal toe zijn verbinding met de Rijn kwijt. Met spoed moest de stad met het oog op haar handelsbelangen in zuidelijke richting een vaarwater graven naar de rivier, ditmaal naar de Lek. De Vaartse Rijn van Utrecht naar de Lek is in verschillende fasen aangelegd. Een reeds bestaand vaarwater, lopend van de Tolsteeg (Ledig Erf) te Utrecht naar Jutphaas, werd doorgetrokken tot aan de omgeving van de Wiers, waar zich een dam bevond.

Handelswaren konden daar worden overgeladen; kleine schepen werden mogelijk over de dam heengetrokken.

2ccfc4f206324884b19bae066b06b16b

In 1373 werden er van stadswege “twe slusen van hout” gebouwd, ter plaatse van de huidige Oude Sluis. Ten einde het sluisje, bestaande uit één sluiskolk met spuitorens, militaire bescherming te bieden, lieten de Utrechtse gilden een vestingwerk bouwen, het blokhuis Gildenborg, waar bij een volledige bezetting 60 manschappen konden worden ondergebracht. Rondom het sluisje ontwikkelde zich in de loop der eeuwen Vreeswijk of De Vaert; daar bij de Lekdijk bevindt zich ook nu nog altijd de kern van het oude dorp.

In 1482 ging Gildenborg in een heftige strijd met David van Bourgondië en de Hollanders, die het blokhuis als een bedreiging zagen, ten onder. De geduchte vesting werd met de grond gelijk gemaakt; het puin in de sluiskolk gestort en de spuitorens geslecht. De sluis werd spoedig her- steld en weer in gebruik genomen, maar het verdedigingswerk was voor goed verdwenen.

De sluis hield het door allerlei vernieuwingen en regelmatig onderhoud uit tot 1815, toen de sluisvloer het onverwachts begaf en het rivierwater de bovenkolk binnenstroomde. Een volledige verbouwing van het sluis complex bleek noodzakelijk. Door de bekende waterbouwkundige Jan Blanken Jansz werd een plan ontworpen. De bouwkosten kwamen als vanouds voor rekening van de stad Utrecht. De verbouwing vond plaats in de jaren 1822-1824. De sluis kreeg toen in feite zijn huidige afmetingen en aanzien en ging een belangrijk onderdeel vormen van de Keulse Vaart, de vaarroute tussen Amsterdam en de Rijn.

Om de scheepvaart tijdens de verbouwing toch te laten doorgaan, werd in 1817 op kosten van het rijk, direct ten oosten van de bestaande sluis een hulpschutsluis gebouwd, daarbij gebruikmakend van een sinds 1638 bestaande watergang, het zogenaamde Volmolengat. Deze Rijkshulpschutsluis , later vooral bekend als Spuisluis, is nu één van de schilderachtigste plekjes van het dorp.

De oude kerken
Het jaar 1426 maakt melding van een kerk in Vreeswijk; daarmee is zeker niet de oudste middeleeuwse kerk in het Wierse gebied bedoeld. Onderzoek heeft aangetoond, dat de bedoelde kerk moet hebben gestaan op de oude, nog steeds in gebruik zijnde begraafplaats van de Hervormde Gemeente, gelegen tussen de Spuisluis en het Fort. Deze kerk werd in 1585 door de Spanjaarden verbrand en op die plaats niet meer opgebouwd. Een grafsteen uit 1613 bewijst dat het kerkhof wel in gebruik bleef.

Op initiatief van de Utrechtse vroedschap werd vermoedelijk in 1638 begonnen met de bouw van een nieuwe kerk aan de westzijde van de Oude Sluis, bij de bovenkolk. Het werd een fraai protestants kerkje met vier gelijke, tamelijk korte kruisarmen – een zogenaamd) Grieks kruis – als grondvorm. In het najaar van 1641 kwam het gereed en konden er kerkdiensten worden gehouden. In het “rampjaar” 1672 werd het kerkgebouw door de Fransen verwoest en verbrand; ook een groot deel van het dorp ging in vlammen op.

In het voorjaar van 1682 werd een begin gemaakt met de herbouw op de oude fundamenten. De kosten werden voor een deel gedragen door de stad Utrecht, die verantwoordelijk was voor de uitoefening van de protestantse godsdienst in Vreeswijk. Ook werden obligaties uitgegeven, waarvoor de stad garant wilde staan. Bovendien werd in 1681 door de Staten van Utrecht bepaald dat “op ijder persoon De Vaert passerende” (dat wil zeggen met de veerpont de Lek overstekende) een bepaald “hooftgeld” geheven moest worden. Het hoofdgeld, een soort veerbelasting, was bestemd voor de diaconie van de “Gereformeerde Kerk”. In 1683 kon de herbouwde kerk weer officieel in gebruik genomen worden.

Het Merwedekanaal
Een bijzonder belangrijke ontwikkeling voor Vreeswijk kwam op gang in 1881, toen bij wet de aanleg werd bepaald van het Merwedekanaal van Amsterdam via Vreeswijk en Vianen naar Gorinchem. Een nieuwe waterweg dus, van grote economische betekenis voor Amsterdam en ook de stad Utrecht. De oude Keulse Vaart voldeed in het geheel niet meer aan de eisen van de tijd.

De lange wachttijden bij de verouderde sluizen gaven teveel oponthoud. Het nieuwe waterstaatkundige project omvatte ondermeer de verbreding van de Vaartse Rijn vanaf De Liesbosch tot aan De Wiers en de aanleg van een nieuw kanaalvak ten westen van Vreeswijk, dat aansluiting moest geven op een nieuw te bouwen, grote en voor die tijd moderne sluis. Het sluiscomplex werd blijkens een gedenksteen in het buitenhoofd gebouwd in de jaren 1882-1886, doch het zou nog zes jaren duren voordat het kanaal van Amsterdam naar Vreeswijk officieel in gebruik genomen werd. Op 4 augustus 1892 werd de sluis feestelijk geopend door de toen ll-jarige Koningin Wilhelmina, in gezelschap van haar moeder Koningin-Regentes Emma. Twee koninginnen waren bij de opening aanwezig; vandaar de naam met het meervoud Koninginnensluis.

Het scheepvaartverkeer nam in de jaren die volgden een geweldige vlucht. Aan de westzijde van het Merwedekanaal bij de sluis ontstond een dorpsuitbreiding in de vorm van lintbebouwing, die de naam Handelskade kreeg. Daar werden in korte tijd vele winkels, bedrijfspanden en woonhuizen gebouwd. Ook de dorpskern bij de Oude Sluis profiteerde van de bedrijvigheid die de toegenomen scheepvaart met zich meebracht. Aan de nieuwe verbindingsweg van de Dorpsstraat naar de Handelskade, de Koninginnenlaan, vonden eveneens bouwactiviteiten plaats; daar verrezen woningen voor sluispersoneel en een bedrijfspand voor scheepsbenodigdheden.

De Rooms-Katholieke Kerk
In 1908 werd, ook aan de Koninginnenlaan, begonnen met de bouw van een nieuwe Rooms-Katholieke kerk annex pastorie. Het oude R.K.-kerkje aan de Oude Sluis (ter plaatse van het huidige Zalencentrum Sint Jan) was te klein geworden. Eerder was bij de ) bouwlocatie al een R.K. begraafplaats in gebruik genomen. De imposante kruiskerk, gewijd aan Sint Barbara, kwam in 1910 gereed. Kerk met pastorie en begraafplaats vormden sindsdien één complex op een centraal punt in het zich uitbreidende dorp.

Het Amsterdam-Rijnkanaal
Ondanks de hoge verwachtingen voldeed het Merwedekanaal niet aan de gestelde eisen. Opnieuw was er veel oponthoud voor de schepen, ondermeer door de vele draaibruggen tussen Amsterdam en Vreeswijk en wederom ontstonden er in Vreeswijk lange wachttijden, vooral als er bij hoog water op de Lek met twee kolken geschut moest worden.

Omstreeks 1930 was het aantal schepen dat jaarlijks de sluis passeerde 2,5 maal zo groot als !la de opening in 1892; het totale laadvermogen per jaar was verzesvoudigd. Amsterdam wenste ten tweeden male in korte tijd een nieuwe Rijnverbinding.

In 1931 werd besloten tot de aanleg van een scheepvaartweg van Amsterdam naar de Waal bij Tiel, met een zijtak (Lekkanaal) bij Jutphaas ter hoogte van het Overeind naar Vreeswijk. Daar moest, vrij ver ten oosten van het dorp, een nieuwe sluis gebouwd worden. Het ontwerp toonde een dubbele schutsluis met heftorens. De nuttige lengte van elke sluiskolk ging 225 meter bedragen bij een doorvaartbreedte van 18 meter.

De Vreeswijkse middenstand verkeerde intussen in grote ongerustheid over zijn toekomst. Het scheepvaartverkeer zou na de voltooiing van de nieuwe sluis buiten het dorp om gaan. De schepen zouden zonder noemenswaardige vertraging de sluis kunnen passeren. De omzet van de vele winkeliers, handelaren en parlevinkers moest wel dramatisch gaan teruglopen.

De opening van de sluis, Prinses Beatrixsluis genoemd, op 23 maart 1938 was voor de bevolking van Vreeswijk een treurige gebeurtenis. De Koninginnensluis kreeg een minder dan tweederangs positie en de Oude Sluis werd gesloten. Diverse pogingen van de middenstand en het gemeentebestuur om de economische achteruitgang te keren, liepen op niets uit.

Uit het bovenstaande blijkt, hoezeer waterwegen en sluizen door de eeuwen heen de ontwikkeling en geschiedenis van Vreeswijk hebben getekend; de plattegrond van het dorp werd erdoor bepaald.

Dorpsuitbreidingen
De jaren na de Tweede Wereldoorlog worden vooral gekenmerkt door woningbouw en de geleidelijke vestiging van nieuwe industrie. In het oude dorp werden huizen gebouwd in het gebied tussen de sluizen: de Beatrixstraat (1949) en de Irenestraat (1950-1952). De aanleg en bebouwing van de Margrietstraat (1965-1970) vond plaats in het kader van de dorpssanering, waarbij de oude en vervallen zijstraatjes aan de westzijde van de Dorpsstraat vrijwel geheel werden gesloopt.

Ten oosten van de Vaartse Rijn, aan beide zijden van de Wierselaan, werden nieuwe woonwijken gerealiseerd. Dit nieuwe woongebied verkreeg een royale toegang door de bouw van de Oranjebrug, gelegen in het verlengde van de Koninginnenlaan. De brug werd in gebruik genomen op 16 maart 1957.

De Wierselaan werd als Nijverheidsweg in noordelijke richting doorgetrokken, hetgeen de ontsluiting van het industrieterrein De Wiers mogelijk maakte.

Van groot belang in later jaren was de ontwikkeling van het woongebied Zandveld. De sloop van een drietal huizen aan de Handelskade (1969) vormde de doorbraak, noodzakelijk voor de aanleg van de Henri Dunantlaan. Het was als het ware een eerste stap naar de grootschalige uitbreiding van het woonareaal na de eenwording van Vreeswijk en Jutphaas op 1 juli 1971. Toen werd het verleden van het dorp Vreeswijk afgesloten en begon de stadshistorie van Nieuwegein.

F. van Zutphen

Met toestemming van- en dank aan de Lionsclub Nieuwegein overgenomen uit: “Op stap in Nieuwegein” Een wandelboek met 14 routes door Nieuwegein, uitgegeven door de Lionsclub Nieuwegein. ISBN/90-9007680-8/CIP